zondag, februari 14, 2021

Tips & tricks voor de Ommetje app

Ommetje
Een van de populairste apps van dit moment is de Ommetje-app, al lang geleden bedacht door Micha van Hoorn en met medewerking en steun van de Hersenstichting en de illustere beweeghoogleraar Erik Scherder. Met twintig minuten wandelen op een dag (dat is de informele definitie van een ommetje) kun je punten verzamelen, en als deelnemer aan een team kun je stijgen of dalen in een ranglijst. Er zijn ook medailles te verdienen door bijvoorbeeld regelmatig voor negen uur 's ochtends te lopen, geen dag over te slaan, of je afgelegde ommetjes via allerlei social media te delen.

Het kan soms wat confronterend zijn om te zien hoe anderen met sprongen in het klassement omhoog gaan, terwijl je zelf ergens onder het midden blijft bungelen. In deze blog geef ik een paar tips hoe je op een eenvoudige manier je puntenaantal kunt opkrikken. Disclaimer: de tips zijn geenszins bedoeld om u minder ommetjes te laten maken. Lopen is gezond (en als je wilt weten waarom: de app zit vol 'hersenweetjes' waarin de kwabben en neuronen je om de oren vliegen). Ook staat alles min of meer (een beetje verstopt) in de app zelf. Het zijn tips, geen hacks.

  1. Behoud je dagelijkse reeks. Als je een ommetje maakt, en je hebt de dag ervoor ook een ommetje gemaakt, dan levert dat drie extra punten op. Met de tips hieronder is dat vrij eenvoudig te bewerkstelligen.
  2. Een ommetje van 15 minuten telt als een van 20. Je kunt na 15 minuten de app stoppen, en dan telt het toch als een volledig ommetje. Uiteraard is een langer ommetje beter voor je dan een korte.
  3. Je hoeft niet per se te lopen. Simpelweg een ommetje starten in de app en na een tijdje stoppen is voldoende. Je ontvangt dan 5 punten (dus 8 als je je reeks van de vorige dag hebt behouden). Als je hebt gelopen maar je was vergeten de app aan te zetten is dit een heel nette manier om toch nog punten te krijgen (en je reeks te behouden).
  4. Loop in ieder geval 1 ommetje per dag 750 meter of meer. Dit levert 4 punten op. Tijdens een ommetje deze afstand afleggen op de fiets kan natuurlijk ook.
  5. Loop voor negen uur 's ochtends. Voor de late opblijver (en uitslaper) is dat minder ingewikkeld dan het lijkt. Het is voldoende om een ommetje te starten om 1 over 12 's nachts. Je kunt het ommetje in principe tot de volgende ochtend laten doorlopen. Een ommetje voor 9 uur levert drie extra punten op. Je spaart er natuurlijk ook mee voor de vroege-vogelmedaille.
  6. Start een tweede ommetje. Als je een halfuur loopt kun je na een kwartier het ommetje beëindigen. Je krijgt dan bijvoorbeeld 12 punten (ommetje, reeks, en afstand). Start een nieuw ommetje. Na een kwartier lopen kun je stoppen. Je krijgt dan nog 1 punt extra. Als je in het eerste ommetje de afstand nog niet gehaald had, maar wel in het tweede, dan krijg je de afstandspunten bij het tweede ommetje. Een derde ommetje op een dag telt wel mee voor het totale aantal ommetjes dat je loopt, maar je krijgt er dan geen punten meer voor. Wel ontvang je na elk ommetje een random 'weetje'. Genoeg weetjes verzamelen levert ook een medaille op. Helaas is het echt willekeurig, dus ook na vele ommetjes kun je je weetjesmedaille nog mislopen.
  7. Deel je ommetjes (maar niet echt). Ga na een ommetje naar 'Team beheer' en kies voor 'Delen'. Kies daarna voor Whatsapp. Je komt nu in Whatsapp, maar nu druk je op het pijltje naar links (linksboven). Je hebt niets gedeeld maar ontvangt toch twee punten. Dit kun je driemaal per dag doen, en levert dus zes punten per dag op. Je spaart ook meteen mee voor de 'Hart'-medaille. Uiteraard kun je natuurlijk je ommetjes ook gewoon echt delen. Bevinding: op sommige telefoons werkt het delen niet. Ik zou er geen anderen telefoon voor aanschaffen, maar je loopt dan wel dagelijks zes punten mis daardoor.
  8. Door alle bovenstaande tips op te volgen verzamel je vanzelf medailles, die extra punten opleveren (en een mooie medaille achter je naam). Als je al veel medailles hebt, en je gaat deelnemen aan een nieuw team, dan levert dit de personen die nog geen enkele medaille hebben een voorsprong op, want zij behalen makkelijker medailles die dus punten opleveren. Weinig aan te doen.

Bovenstaande tips kunnen je puntenaantal een beetje omhoogkrikken. Het betekent natuurlijk helemaal niets. Als de app mensen tot bewegen aanzet dan is dat alleen maar te prijzen. Dus: niet er de kantjes vanaf lopen!

donderdag, september 28, 2017

Griet en de Maximonsters

Schrijfster Griet Op de Beeck vertelde op 25 september in een interview bij De Wereld Draait Door (hier staan fragmenten) over een vreselijk jeugdtrauma: jarenlang misbruik door haar vader. Zij was daarvan overtuigd geraakt na jarenlange therapie, en had een scala aan indicatoren verzameld (107 in totaal) die haar gevoel ondersteunen. Een misbruikverhaal is nooit prettig en levert ongemakkelijke televisie op. Het verhaal maakte, terecht, veel indruk op de kijker (een indicatie is de reacties op verschillende sociale media; Shownieuws wijdde een bericht aan de soms emotionele reacties op het verhaal van Griet Op de Beeck, die ik hierna voor het gemak Griet noem. Einde verhaal? Niet helemaal. Enkele dagen later zette Volkskrant-columnist Max Pam vraagtekens bij het verhaal van Griet. Het kwam hem op veel kritiek te staan. Was die kritiek terecht? In eerste instantie dacht ik dat de column nog redelijk genuanceerd was, maar bij nader inzien ben ik tot de conclusie gekomen dat dat toch niet zo is. Het is naar mijn mening een nare, kwalijke, en onnodige aanval op Griet's persoonlijke gevoel: naar vanwege het expliciet uitgesproken en slecht onderbouwde wantrouwen, kwalijk vanwege de manier waarop Griet's angst voor ongeloof (zoals zij in het interview aangaf) uitkomt, en onnodig vanwege de ongerichte kritiek: met een andere insteek had een commentaar over ons feilbare geheugen een stuk meer hout kunnen snijden.
In zijn column trekt Pam Griet's herinnering in twijfel, dubbelop zelfs: "Was het ook waar wat Griet Op de Beeck ons te vertellen had?" en kort daarop: "Was het ook waar wat Griet Op de Beeck vertelde over wat zij in haar jeugd heeft meegemaakt?" Pam gebruikt drie argumenten om zijn betoog dat het allemaal wel eens niet waar zou kunnen zijn (of op zijn best twijfelachtig) te ondersteunen: 1) Harry Mulisch, 2) Sigmund Freud, 3) Crombag en Merkelbach. Ten eerste de Mulischredenering: die is als volgt. Op de Beeck schrijft romans. Mulisch schreef ook romans. Mulisch heeft eens gezegd dat hij zich soms gebeurtenissen herinnerde die nooit hadden plaatsgevonden (wie niet, denk ik dan). Dus dat zou bij Op de Beeck ook het geval kunnen zijn. Ik vind dit een uiterst vergezochte redenering. Door de plaatsing van deze anecdote, precies voor de zin: "Was het ook waar?" impliceert Pam dat de fantasie van Op de Beeck wellicht met haar aan de haal is gegaan.
Pam's tweede argument komt bij Sigmund Freud vandaan. Incest komt voor, maar een therapeut kan het ook zomaar verzinnen, zoals Freud deed in het geval van de Wolfman. Dat laatste is op zichzelf een bekende kritiek op Freud, die op zichzelf lastig te onderbouwen is want we kunnen niet (meer) in het hoofd van wolfman Sergej Pankejev kijken, en daarnaast is psychoanalyse als discipline zo vaag dat Freud makkelijk had kunnen zeggen: "De wolfman ontkent het, maar psychoanalyse heeft het nu eenmaal naar boven gehaald dus het is zo." Laten we zeggen: Freud aanhalen om een argument te ondersteunen is nooit sterk, en in dit geval al helemaal niet omdat we niets weten over de therapie die Op de Beeck ondergaan heeft: er bestaan tegenwoordig veel meer (en betere) methoden dan psychoanalyse. In feite worden Op de Beeck's therapeuten hier indirect van frauduleus handelen beschuldigd.
Het derde argument dat Pam gebruikt komt uit de geheugenpsychologie. Crombag en Merkelbach stellen dat zogenaamde hervonden herinneringen niet altijd juist zijn. In de geheugenpsychologie is het onderzoek van Elizabeth Loftus hiernaar ook relevant. Loftus wist haar proefpersonen bijvoorbeeld een herinnering aan te praten over een in hun jeugd voorgevallen incident (het 'lost in the mall'-experiment). Na terugkomst in het laboratorium waren proefpersonen overtuigd van hun herinnering, ook al was die vakkundig 'aangebracht' (het is ook een populair Hollywoodthema, de film Total Recall speelt bijvoorbeeld met dit idee). Er zijn drie problemen met het aanhalen van al deze bevindingen. Ten eerste weten we niet hoe Op de Beeck's herinneringen tijdens de therapie tot stand zijn gekomen. Was er sprake van invloed of sturen door de therapeut? We weten het niet. Ten tweede: welke herinnering ook naar boven is gekomen tijdens de therapie, het sluit niet uit dat de gebeurtenissen die Op de Beeck zich herinnert daadwerkelijk voorgevallen zijn. Misschien in lichtere of zwaardere vorm, maar hoe de herinnering ook tot stand is gekomen, de herinnerde gebeurtenis kan echt zijn. Op de Beeck is achteraf naar aanwijzingen gaan zoeken, en daar schuilt het gevaar van confirmation bias in (je ziet wat je wil zien), maar dat sluit de eventuele echtheid van de herinnering nog altijd niet uit. Ten derde: Op de Beeck gaf aan geen directe herinnering aan de gebeurtenissen te hebben. Dat maakt dat je uitspraken over de waarheid helemaal niet zo direct kunt stellen. Je moet namelijk onderscheid maken tussen 1) de gebeurtenissen in het verleden, en 2) de overtuiging dat er in het verleden iets gebeurd is. Griet doet geen uitspraken over punt 1, maar wel over punt 2. Vervolgens beoordeelt Pam punt 1. Als je iets wil beoordelen over Op de Beeck's herinneringen, dan is de vraag hoe zij tot haar overtuiging is gekomen veel relevanter dan de vraag of haar herinnering op zichzelf correct is. Daarom denk ik dat Pam's betoog de plank misslaat.

Ik kan me drie scenario's indenken waarin Pam's commentaar relevant zou zijn geweest.

  1. Stel dat Griet had gezegd: "Tijdens de therapie herinnerde ik me alles ineens weer!" Dan kun je onder verwijzing naar Crombag en Merkelbach vanuit de wetenschap naar 'false memories' verwijzen, en op zijn minst proberen de echtheid van de herinnerde gebeurtenis nuanceren.
  2. Stel dat Griet had gezegd: "Onder hypnose kwamen ineens allerlei herinneringen naar boven!" Dan kun je aan de hand van wetenschappelijke bevindingen over herinneringen die tijdens hypnose naar boven komen (een populair thema in tv-series en films) beargumenteren dat dergelijke herinneringen helemaal niet juist hoeven te zijn. De gehypnotiseerde is wel makkelijk overtuigd van de waarheid van dergelijke herinneringen.
  3. Stel dat Griet had gezegd: "De therapeuten analyseerden mijn dromen, en zo kwamen we tot een onomstotelijke conclusie." Dan was onder verwijzing naar Freud, kritiek op Freud, en wat we over dromen weten hard commentaar over Griet's herinneringen mogelijk. Wat de betekenis van dromen ook is (als die er al is): het is onvoldoende om een incestherinnering aan op te hangen.

Aangezien geen van de drie bovenstaande scenario's in het geval van Griet Op de Beeck aan de orde was, concludeer ik dat de kritiek van Max Pam op haar herinneringen slecht onderbouwd is en in feite de plank missloeg.


donderdag, maart 12, 2015

In memoriam: Sir Terry Pratchett

Toen ik de middelbare school verliet moest ik opnieuw leren lezen. Dat klinkt wellicht wat al te dramatisch maar zit in zekere zin niet ver van de waarheid af. In verplichte taken ben ik nooit goed geweest, ik volgde liever mijn eigen interesses. Voor lezen gold dat ook. Het eerste teken van herstel kwam na het lezen van Robert Pirsigs filosofische bespiegelingen in Zen en de kunst van het motoronderhoud, en ook het door Douglas Hofstadter kunstig geconstrueerde Gödel, Escher, Bach deed me beseffen dat lezen ook leuk kan zijn, vooral als het niet hoeft. Ik durf wel te stellen dat ook de boeken van Terry Pratchett hier een belangrijke bijdrage aan hebben geleverd. Des te jammerder is het dat Pratchett is overleden, 66 jaar oud. Al sinds 2007 leed hij aan Alzheimer, desondanks ploeterde hij voort om zijn oeuvre uit te breiden. We blijven achter met ongeveer 80 boeken van zijn hand.
Het grootste deel van Pratchett's oeuvre speelt zich in meer of mindere mate af in de Discworld. Die platte wereld, gedragen door vier olifanten en een schildpad, vormt het decor voor tovenaars, heksen, barbaren, dwergen, trollen, zombies, en niet te vergeten de Dood. Het zijn in feite alle wezens die tot het fantasygenre gerekend worden. Pratchett schreef binnen dat genre het soort boeken dat eigenlijk alleen de Britten kunnen schrijven: humoristisch, raar, een licht postmoderne touch (de karakters willen nog wel eens buiten het verhaal stappen of de lezer rechtstreeks toespreken), geschikt voor lezers vanaf een jaar of 14, vol (verborgen) verwijzingen naar de populaire cultuur, en hier en daar maatschappijkritisch. Dat de boeken een groot succes zijn geworden en dat er een soort cultus rondom de Discworld is ontstaan (er zijn onder andere stadsgidsen te koop, er is een kookboek en er zijn maarliefst drie boeken die de 'wetenschap' achter het bestaan van de Discworld beschrijven) komt op de eerste plaats omdat de boeken slim in elkaar zitten en erg humoristisch zijn, maar ook door de memorabele terugkerende karakters. In die zin lijkt het werk van Pratchett op dat van P.G. Wodehouse. De stijl van schrijvers als Robert Rankin en Jasper Fforde lijkt in veel opzichten op die van Pratchett, maar als het gaat om invloed kun je zeggen dat het duidelijk Douglas Adams is die terugziet in de Discworldboeken.
Omdat het om een flinke hoeveelheid boeken gaat is het logisch dat het ene boek wat beter is gelukt dan het andere. Ik vond ze de laatste jaren wat minder worden, maar dat ligt waarschijnlijk net zo veel aan mij als aan Pratchett. Wodehouse' late werk is in veel opzichten een herhaling van zetten van zijn eerdere werk, maar dat doet aan de kwaliteit ervan niets af. Tot de beste boeken reken ik zelf Wyrd Sisters, een prachtige parodie van of ode aan het werk van Shakespeare en Small Gods dat georganiseerde religie genadeloos op de hak neemt. Anderen zullen de boeken met de onbekwame tovenaar Rincewind als favoriet benoemen, of de boeken met politieagent Vimes. Of de boeken waarin de heks Granny Weatherwax figureert, of juist de boeken waarin de Dood een grote rol speelt. Allen hebben zij gelijk. Pratchett's keuze om zijn verhalen te situeren in een parallelle wereld waarin hij naar hartelust zijn gang kon gaan heeft ervoor gezorgd dat zijn boeken tijdloos zijn en nog lang door velen gelezen en herlezen zullen worden.

donderdag, februari 12, 2015

Wetenschapscommunicatie doe je zo: bespreking van Het Exacte Verhaal

Het credo van de wetenschapswereld is tegenwoordig valorisatie. Goede wetenschap is toepasbaar of is in ieder geval relevant voor de maatschappij. Daar hoort bij dat je als wetenschapper een goed verhaal moet kunnen vertellen aan mensen die niet goed ingevoerd zijn in je vakgebied. Veel wetenschappers kunnen daar wel wat tips bij gebruiken -- van het vermijden van vaktaal tot het dragen van de juiste kleding. Ionica Smeets, 'wiskundemeisje', wetenschapsjournalist, en presentator, bundelde haar eigen bevindingen en die van collega's uit het veld in een boekje over wetenschapscommunicatie. Voor 20 Euro is het vrij stevig geprijsd, maar de inhoud is grotendeels de moeite waard.

Ionica en haar uitgever presenteren het boek min of meer als exclusief geschikt voor bètawetenschappers. Toch zijn de meeste tips in het boek net zo geschikt voor andere wetenschappers. Het presenteren van informatie, het schrijven van een populair-wetenschappelijk artikel, het gebruik van metaforen, het omgaan met de buitenwereld: allemaal zijn ze voor een sociaal-wetenschapper net zo uitdagend als voor een bèta-wetenschapper. Sterker: in sommige opzichten kan het voor de alfa-wetenschapper juist moeilijker zijn om duidelijk over te komen. Dat heeft twee redenen. Ten eerste is de wetenschappelijke terminologie in de alfa- en de gammawetenschappen vaak onderdeel van het dagelijks taalgebruik. Dat betekent dat, zodra ik iets vertel over begrippen als intelligentie of motivatie, iedereen denkt te weten waarover ik spreek, maar binnen psychologische of onderwijskundige theorie worden die begrippen vaak heel anders uitgelegd dan in de gangbare spreektaal. Daar heeft een Higgs-deeltje geen last van! Ten tweede beschouwen veel mensen zich op het gebied van de gammawetenschappen al een beetje als 'experts'. Iedereen is bijvoorbeeld een beetje psycholoog, en over onderwijs heeft iedereen ook zo zijn mening. Uitleg over onderzoeksresultaten leidt dan ook regelmatig tot de reactie: "Dat wisten we toch allang?" of andersom tot: "Ik geloof er niets van, want mijn ervaring is anders." In de bèta-wetenschappen komt meteorologie wat dat betreft in de buurt, want over het weer heeft ook iedereen wel zo zijn ideeën. Zo groot zijn de verschillen tussen alfa-, beta- en gammawetenschappen dus niet naar mijn idee.
Het boek van Smeets is vooral nuttig door het grote aantal tips dat gegeven wordt als het gaat om schrijven en presenteren van je onderzoek. Voor een belangrijk deel worden die tips gegeven in de vorm van anekdotes van experts op het gebied van wetenschapscommunicatie en -popularisatie als Robbert Dijkgraaf, Govert Schilling, en Diederik Jekel. Op NRC-wetenschapsjournalist Margriet van der Heijden na komen er geen vrouwen aan bod in het boek, wat het punt dat zij ondervertegenwoordigd zijn in de bèta-hoek bevestigt.
Het boek probeert vooral een overzicht van alles rond wetenschapscommunicatie te zijn. Dat leidt wel tot enkele hoofdstukken die wat hap-snap aanvoelen. Met name het hoofdstuk over het 'zoeken en maken van afbeeldingen' had wat meer aandacht verdiend. Dat komt nu vooral neer op een beperkt overzicht van manieren om te 'liegen' met grafieken door verkeerd gebruik van assen of het gebruik van een 3-D weergave. Desondanks komt telkens in de conclusie van de hoofdstukken terug dat een beetje liegen soms is toegestaan als een boodschap daardoor beter overkomt. Ik had hierin liever een wat meer orthodoxe keuze gezien: iets als 'een beetje liegen' bestaat tenslotte niet, liegen is liegen.

Raad ik dit boek aan aan alle wetenschappers en degenen die in hun werk met wetenschap te maken hebben? Ja, het kan zeker geen kwaad er op zijn minst kennis van te nemen en iedereen haalt er voor zichzelf wel een aantal nuttige tips uit. Ik vond zelf de 'walvis uit Hollywood' en andere verhaalstructuurlijnen nuttig, en ook de presentatietips ('Powerpoint is een ziekte') zullen voor elke onderwijsgevende prettig herkenbaar zijn. Kortom: Het Exacte Verhaal is voor iedereen die een wat groter publiek wil bereiken dan naaste collega's een aanrader.


Ionica Smeets (2014). Het Exacte Verhaal. Wetenschapscommunicatie voor bèta's. Amsterdam: Nieuwzijds. ISBN: 9789057123931




vrijdag, januari 23, 2015

Mijn visie op onderwijs

Toelichting. Eind 2013 werd ik door de studentenvereniging van Onderwijskunde, Vocus, voorgedragen voor de universitaire onderwijsprijs. Daarvoor moeten een aantal stukken aangeleverd worden waaronder een 'visiedocument' waarin je je visie op (goed) universitair onderwijs beschrijft. Ik heb dat toen gedaan. In navolging van ASW-docent Ruud Abma, die zijn visie online heeft geplaatst, heb ik die tekst in iets bijgewerkte vorm hieronder geplaatst.


Al vroeg in mijn carriere, in 1998, ben ik begonnen met het verzorgen van onderwijs aan de universiteit, en sindsdien is mijn visie op onderwijs geleidelijk concreter geworden. Ik ben nog altijd bezig mijn visie op onderwijs te ontwikkelen en ik ben daar nog niet mee klaar. Sterker, ik vind dat je ook niet mag verwachten er een eindpunt is. Gaandeweg heb ik wel een aantal specifieke ideeën verworven die je kunt samenvatten als mijn persoonlijke visie op wat goed onderwijs is, wat het zou moeten zijn, en hoe onderwijs er in de toekomst uit zou kunnen zien. Die ideeën probeer ik gestalte te geven in mijn huidige rol als docent, als coördinator van verschillende vakken, als meedenker in verschillende commissies en andere overlegorganen, en ook in de (populaire) media.

In het begin van het jaar was ik naast onder andere rector-magnificus Bert van der Zwaan een van de sprekers bij het ‘Onderwijsorakels’-evenement – ook al heb ik mezelf nadrukkelijk niet als ‘orakel’ gepresenteerd! Mijn toespraak had als thema: het belang van lef. Lef vormt een van mijn basisideeën over onderwijs. Ik vind dat studenten moeten leren om lef te tonen in het onderwijs. Dat wil zeggen: het doel van een universiteit is om studenten te leren denken. Dat betekent dat zij leren om de wereld kritisch en genuanceerd te benaderen. Ik heb benadrukt dat ik van studenten hoop dat zij leren om lef te tonen, ook als het gaat om hun eigen onderwijs. Ik probeerde het zelf toen ik studeerde aan de UvA: ik zocht vaak de grenzen op van opdrachten of probeerde iets nieuws. In plaats van een volledige schrijfopdracht leverde ik een keer een korte polemiek in. Mijn begeleider (Jaap van Heerden) kon het waarderen. Dat vind ik ook belangrijk: als docent studenten de ruimte geven om lef te tonen, om soms buiten de lijntjes te kleuren. Als schrijfgids gebruikte ik als student een handleiding voor PR-teksten: die dwong me eenvoudig, leesbaar, en gestructureerd te schrijven. Docenten nam ikzelf vaak niet té serieus. Ik kende de universitaire wereld al vroeg omdat mijn vader aan de Universiteit Leiden werkte. Die bagage heeft denk ik gemaakt dat ik het universitaire onderwijs vanaf het begin kritisch aanschouwde: als ik na een eerste hoorcollege concludeerde dat de colleges niets aan een vak toevoegden, dan kwam ik daarna niet meer. Nu ik zelf docent ben houd ik daar rekening mee: ik vind dat mijn colleges meerwaarde moeten hebben. Een college dat ik geef moet een college zijn dat ik zelf ook zou willen volgen.

In mijn onderwijs gedraag ik me als een wetenschapper. Dat betekent dat ik de leerstof kritisch benader en studenten aanspoor om dat ook te doen. Academisch denken betekent in zekere zin dat zekerheden niet bestaan. Daar zit ook juist de lol van wetenschappelijk denken in, in het spelen met die onzekerheid, en dus met de werkelijkheid. Studenten vinden dat niet altijd fijn, zij willen horen hoe het zit, maar ik vind dat academisch denken staat of valt met het leren omgaan met en leren waarderen van continue onzekerheid. Onderwijskunde is daarvoor heel geschikt, omdat het een discipline is die het wetenschappelijke met het minder wetenschappelijke combineert. In het recent verschenen boek 'Het Alternatief' geeft Hester IJsseling ook mooi dit deel van mijn visie weer. Haar uitgangspunt in haar werk als lerares in het basisonderwijs is: "Het is de kunst om het zekere weten te voorkomen". Dat is een knappe prestatie, want het is in het hoger onderwijs niet altijd makkelijk! Overigens deel ik met de rector magnificus de visie dat studenten ook ondernemerschap moeten leren. Ik pleit zo nu en dan voor het opnemen van een dergelijk vak in het curriculum, en gelukkig volgen onze studenten regelmatig minorvakken over dit onderwerp. Ik moedig hen daarin aan.

Het contact met studenten waardeer ik enorm in mijn werk. Ik zie mijzelf niet als verheven boven hen, maar probeer het goede voorbeeld te geven om te laten zien hoe je continu bezig kunt zijn met je vak. Toen ik een tijdje geleden college gaf in het gebouw Achter de Dom bleek dat je daar als docent op een hoog podium staat. Ik ben toen afgedaald en tussen de studenten gaan staan. Daar voelde ik me een stuk meer op mijn gemak: niet boven hen, maar tussen hen. Bij een wetenschappelijke houding hoort ook integriteit en eerlijkheid. Als ik het antwoord op een vraag van een student niet weet geef ik dat zonder aarzeling toe. Ik zeg wel eens: ik ben 16 uur per dag beschikbaar voor studenten. Ik ben in de communicatie alleen formeel als het werk dat vereist. In die zijn beantwoordt mijn visie aan de slogan 'onderwijs maak je samen'.

Ik houd me graag en veel bezig met onderwijsvernieuwing. Op dit moment stapelen de veranderingen zich op: universitair onderwijs is in beweging. Ik volg ontwikkelingen op de voet en ik ben actief in het overleg over vernieuwingen aan de Universiteit Utrecht, bijvoorbeeld over 'MOOCs' en over digitaal toetsen, maar ook andere ICT-toepassingen. De computer en het (sociale) internet spelen hierin een grote rol. Utrecht loopt (naar mijn mening) nu achter in Nederland, maar ik zeg altijd: “Als Utrecht het doet, doet Utrecht het goed.” Ik vind dat Onderwijskunde een sleutelrol mag en moet vervullen bij deze onderwijsvernieuwingen, ook omdat ik bij anderen zie dat juist het onderwijskundige aspect vaak ontbreekt – daar ligt de nadruk meer op technologische mogelijkheden. Het kan zo veel beter en meer doordacht!

Mijn visie op onderwijsvernieuwing richt zich ook op het gebruik van sociale media, waar ik veel gebruik van maak, ook om in onderwijs mee te experimenteren. Mijn initiatief om met Facebookgroepen te gaan werken als aanvulling op Blackboard werkte zo goed dat het binnen de opleiding algemeen navolging gekregen. Op Youtube vat ik zo nu en dan een artikel samen, iets dat door studenten zeer gewaardeerd wordt. Twitter (onder de naam @titchener maar ook @owk_uu) gebruik ik voor allerlei doeleinden, voor onderwijs maar ook om verbinding met 'veld' te zoeken (zowel wetenschappers als leerkrachten). Een direct gevolg van samenwerking via Twitter was de publicatie met de Vlaamse auteur Pedro de Bruyckere van een boek over onderwijsmythen in maart 2013. Dat boek mag zich verheugen in veel belangstelling en het is inmiddels aan de vijfde druk toe. Op mijn initiatief ben ik met enkele andere docenten een weblog begonnen, die zeer goed bezocht wordt, ook bijvoorbeel ddoor leerkrachten in het basisonderwijs. Op deze manier is het voor mij een uitdaging om onderwijskundige kwesties actueel te houden, en de blogs vormen een bron waar ik in het onderwijs telkens weer uit kan putten. Daarnaast blijkt dat het voor studenten een activerende werkvorm kan zijn, want het nodigt hen uit om op een andere manier met leerstof bezig te zijn en om mee te discussiëren over onderwijskundige kwesties.

Het mag duidelijk zijn: mijn visie op onderwijs is een samenstelling van verschillende interesses en doelstellingen. Eén ding staat echter wel centraal: al mijn activiteiten komen voort uit mijn wens om enerzijds het beste onderwijs te verzorgen voor studenten en om hen te helpen volwaardig academisch geschoold te worden, en anderzijds om ernaar te blijven streven zelf een steeds betere docent te worden.

maandag, september 29, 2014

Wat is 'intelligentie' volgens studenten, 2014 editie

Ik heb een paar jaar terug verslag gedaan van het inventariseren onder studenten wat zij onder intelligentie verstaan. Ik heb het dit jaar weer gedaan en van het resultaat een Wordle gemaakt. Dit is het resultaat:
Aan het ontzenuwen van de relatie tussen intelligentie en IQ heb ik elke keer weer mijn handen vol!

zondag, juli 20, 2014

Schrijven is schrappen

Ik vond onlangs een in 1988 onder de titel Schrijven is Schrappen uitgegeven bundel stukken over taal, geschreven door Godfried Bomans vanaf 1946 tot 1968 (Bomans leefde van 1913 tot 1971 en werd 58 jaar, precies even oud als de door hem zeer bewonderde schrijver Charles Dickens). In een stuk uit 1963 doet Godfried Bomans verslag van een fictief interview met zichzelf. Het met een flinke dosis humor doorspekte stuk bevat een aantal rake opmerkingen over schrijven. De passage die ik hieronder citeer geeft naar mijn idee mooi weer wat de essentie is van schrijven: niet alleen zeggen wat je wil zeggen maar bovenal aandacht besteden aan de manier waarop.

"Ik rust niet voor ik de zin gevonden heb die mijn bedoeling zo nauwkeurig en zo bondig mogelijk weergeeft. De taal is een handschoen die strak om de huis van de inhoud getrokken is. Je moet er een heleboel weggooien voor je die ene vindt die precies past. Schrijven is schrappen. Schrijven is wat er overblijft."
"Maar het is toch allereerst een gave?"
"Wat is dat: een gave? Ik ken geen gaven. Of men moet daaronder verstaan de voortdurende bereidheid om zich de moeite te getroosten die ik zojuist beschreven heb. Het kan best zijn dat de man, die daar voorbij fietst, meer te zeggen heeft dan ik en het ook beter zeggen kan. Maar hij doet het niet. Hij mist het vermogen om het zich moeilijk te maken. Hij zegt maar wat. Hij heeft geen literair geweten."
"Maar je moet toch talent hebben?"
"Wat is dat: talent? Driekwart hiervan bestaat uit een passie voor de vorm. Hoe zeg ik het zo goed mogelijk? Dat is de eigenlijke liefhebberij. Het overblijvende kwart bestaat uit wát men te zeggen heeft. Dit is wat gedachten en verbeelding u ingeven. Dus: intellect en fantasie. Honderden mensen in Haarlem hebben daar meer van dan ik. Toch zijn ze geen schrijver geworden. Men wordt schrijver door de drift voor de vorm. De inhoud is punt twee. Ziet u die man daar naar de bomen kijken? Het kan wel zijn dat hij nu door meer bezield is dan er ooit door Goethe is heengegaan. Maaar Goethe schreef: "Über alle Gipfeln ist Ruh". En die man zegt dadelijk thuis: we krijgen regen. Alleen God weet wat hij verder nog achterhoudt. Een schrijver is een man die niets achterhoudt."